Constructie
De Millingse liburna wijkt af van het gangbare mediterrane type er wordt niet met pen en gat verbindingen gewerkt maar de spanten worden a.h.w. karveel aan de huid vast geniet. Een spijker wordt van buiten door huidplank en spant geslagen. De punt van de spijker wordt dan omgebogen en terug in het spant geslagen. Zo krijgt men een stevige kram (niet) verbinding. Zie ook Romeinse scheepsbouw.
De romp werd meestal gemaakt uit het hout van de grove den, zilverspar, cipres of ceder. De boorden werden vervaardigd uit massief eiken. De Romeinen gebruikten dezelfde constructiemethode als de Grieken. Ze begonnen met de romp. Daarna werd aan de binnenkant de boot verstevigd door het geraamte te bouwen.
Spanten
De spanten en kiel vormen samen de ribbenkast en zorgen voor het dwarsscheepsverband van een schip. De liburna is voorzien van samengestelde spanten. Een vloerwrang ligt op de kiel en vlak, twee oplangers staan tegen het boord aan. Een spant uit een stuk hout heeft als nadeel dat de stevigheid door de nerfrichting van het hout niet overal optimaal is. Een extra verdikte wrang voorzien van een uitsparing (20 cm) doet dienst als mastvoet.
De stuurinrichting bestond uit extra grote roeispanen aan weerszijde van het schip bedient door verlengde stokken. Het roer zoals wij dat kennen wordt pas eind twaalfde eeuw uitgevonden ergens aan de Friese of Deense kust.
Op het voordek is plaats voor een artillerie toestel, scorpio of grote kruisboog. Op het achtersteven staat het beeld van de beschermgod (tutela) en het blazoen van de vlootvoogd (arma).
|